Waarom managers zichzelf soms onmisbaar houden
Er is een ongemakkelijke waarheid in veel organisaties.
Managers zeggen dat ze verandering willen. Maar ze bouwen onbewust systemen waarin zij zelf de spil blijven.
Niet uit slechte intentie. Maar uit gewoonte.
Wanneer processen afhankelijk zijn van handmatige controle, uitzonderingen en persoonlijke kennis, ontstaat er iets subtiels: afhankelijkheid.
“Zonder mij loopt het niet.”
Dat klinkt als betrokkenheid. Maar vaak is het een systeem dat nooit volwassen is geworden.
Repetitieve taken blijven bestaan omdat iemand ze overziet. Handmatige controles blijven nodig omdat niemand het proces fundamenteel herontwerpt. Excel blijft bestaan als vangnet voor systemen die nooit echt zijn doorontwikkeld.
En zo wordt controle een vorm van comfort.
Maar volwassen organisaties draaien niet op controle. Ze draaien op structuur.
Wanneer repetitie wordt geëlimineerd, gebeurt er iets spannends. Managers verliezen taken.
En precies daar ontstaat weerstand.
Want als alles goed loopt — als overdrachten automatisch zijn, als rapportages realtime beschikbaar zijn, als fouten structureel worden voorkomen — wat blijft er dan over?
Leiderschap.
Denken. Beslissen. Richting geven.
Niet iedereen wil dat. Want denken is moeilijker dan controleren.
Automatiseren is daarom geen technisch vraagstuk. Het is een identiteitsvraag.
Durf je een systeem te bouwen dat niet om jou draait?
Of blijf je onmisbaar in een structuur die nooit volwassen wordt?